Niet alleen
En ineens was hij daar niet meer alleen. Stond hij daar in groep van misschien wel tweeduizend jongens en meisjes, mannen en vrouwen, kinderen zelfs. Te roepen voor vrede op een plein in een grote wereldstad.
Het was raar om daar niet meer alleen te staan. Jarenlang kwam hij hier al. En in die jaren leerde hij omgaan met de racties van de mensen die langs hem liepen. Het spugen, het schelden, het lachen.
Maar dit was raar.
Zijn stem was niet meer te horen tussen al die duizende stemmen. Zijn spandoek viel in het niet bij andere grotere spandoeken.
Nu lag het voor de hand om op dat moment weg te lopen. Gedesillusioneerd. Want al dat roepen van hem had er niet voor gezorgd dat nationale regeringsleiders naar hem luisterden of dat de stadsbestuurders hem zelfs opmerkten. En had er al helemaal niet voor gezorgd dat het plein nu vol stond. Dat wist hij zeker, want niemand had hem gegroet of ook maar even aangekeken voordat ze zich bij hem aansloten.
De enigen die hem overigens goed kenden, waren de agenten die op hun vaste dagen, vaste rondes door de stad liepen. Zij bemoeiden zich nooit met hem, want hij zorgde nooit voor overlast, maar zij groetten hem. En 1 van hen, een vrouw, bracht de man zelfs regelmatig een kop koffie en een donut. Dan hadden ze een kort gesprek over het weer en vervolgens moesten ze allebij weer aan het werk.
Op dit moment was de politie in geen velden of wegen te bekennen. En de man stond inderdaad op het punt om de benen te nemen.
Maar voordat hij ook maar de kans kreeg het bijltje erbij neer te gooien, voordat hij zich door de mensenmassa heen kon wringen, voordat hij op de hoek van het plein aan kon komen om een fastfoodburger naar binnen te duwen, lang voor dat moment, was ineens iereeen verdwenen. Hand in hand, arm in arm, lachend, zingend, bellend. De spandoeken bleven liggen op het plein.
En hij als enige roepend voor vrede.